Forge de Laguiole

Laguiole zakmes "Starck" uitgevoerd in aluminium | Forge de Laguiole

Aanbiedingsprijs Prijs €199,00 Normale prijs Eenheidsprijs  per 

Inclusief belasting Verzendkosten worden berekend bij het afrekenen.

Heft uit één stuk (plein manche), uitgevoerd in aluminium, met een sobere gestileerde bij en met messing platen. Genummerd exemplaar.

Phillip Starck ontwierp dit aluminium mes voor Forge de Laguiole. Het ontwerp werd door het prestigieuze Comité Colbert uitgekozen als één van de vijftien meest representatieve Franse designproducten in New York en is in 1989 ook in de designcollectie van het Museum of Modern Art in New York opgenomen.

Totale lengte geopend mes: 17 cm.
Lengte gesloten mes: 9 cm.
Breedte van het heft: 1,2 cm.
Gewicht: 44 gram

 

De messen van Forge de Laguiole

Het Franse plaatsje Laguiole (in het lokale dialect uitgesproken als “Lajol”) werd wereldberoemd door de messen die er al vanaf de vroege 19de eeuw worden gemaakt.

Het was Pierre-Jean Calmels (1813  - 1876), herbergierszoon en smid in Laguiole, die in 1829 op 16-jarige leeftijd (!) het eerste Laguiole mes vervaardigde. Het mes dat Calmels maakte lijkt erg op het Laguiole mes dat wij nu nog kennen: een vouwmes, vergrendeld door een veer, waarbij het lemmet bij het sluiten van het mes in het heft valt zodat je het goed bij je kunt dragen. De koeien van de Aubrac leverden hoorn en been voor het heft. Het mes werd een groot succes, een onmisbaar stuk gereedschap voor de lokale boeren, veehouders en herders, dat ook aan tafel werd gebruikt!

Laguiole ligt in het hart van de Aubrac op een groene, maar desolate hoogvlakte die deel uitmaakt van het Massif Central. Men leefde er hoofdzakelijk van zijn vee. In het landschap zie je nog de traditionele stenen herdershutten.

Het leven in deze arme, geïsoleerde streek moet hard zijn geweest, in de 19de eeuw. In de winter, wanneer een gure wind over het land joeg en het plateau door een dik pak sneeuw werd bedekt (“la saison mauvaise”), trokken de oudere mannen naar het zuiden, naar Catalonië in Spanje, om zich daar als seizoensarbeider te verhuren.

In de loop der tijd werd het Laguiole mes aangepast aan de wensen van de gebruiker. Zo werd er in de jaren 1840 op verzoek van herders en veeboeren ook een priem aan het mes toegevoegd. Handig om er gaten te prikken in een leren riem, maar ook om de opgeblazen pensmaag van een rund mee door te prikken! Wanneer de koeien in het voorjaar de wei weer in gaan doen ze zich tegoed aan het vochtige malse gras; dat kan in de maag gaan fermenteren met het droge graan waarmee ze gedurende de winter op stal zijn gevoed. Zonder ingrijpen zouden de dieren aan zo’n gaskoliek kunnen sterven.

De geschiedenis van de Laguiole messen is nauw verbonden met die van de bewoners van deze streek, het departement van de Aveyron. Door de slechte economische omstandigheden waren velen gedwongen om hun geboortegrond te verlaten om hun heil ergens anders te gaan zoeken. Tussen 1850 en 1870 vertrokken vele Aveyronnais naar Parijs, waar ze vaak in de kolenhandel, de wijnhandel of in de vele café’s en bistro’s terechtkwamen. Aan het eind van de eeuw bedroeg hun aantal wel 40,000. Wellicht op hun verzoek werd er rond 1880 ook een kurkentrekker aan het mes toegevoegd.

Onder andere omstandigheden zou het Laguiole mes een lokaal boerenmes zijn gebleven, maar door deze grote migratie werd het mes dat de Aveyronnais – trouw aan hun eigen traditie – altijd bij zich droegen en zo geroutineerd uit hun vestzak tevoorschijn haalden, ook populair onder de Parijzenaars. Je ziet dat de messen dan ook in kostbare materialen als ivoor worden uitgevoerd en dat de verschillen in de decoratie toenemen.

Tegenwoordig is het Laguiole mes vooral bekend door het kenmerkende bijtje dat tot het wereldwijd bekende embleem van de Laguiole messen zou uitgroeien, maar aanvankelijk ontbrak deze decoratie helemaal of koos de messenmaker zijn eigen symbool om de veer van het mes mee te versieren, zoals een Jakobsschelp, een klavertje vier of een dierenkop…

Het bijtje verscheen pas voor het eerst in 1908, nu 100 jaar geleden. Allerlei mythes brengen het bijtje in verband met Napoleon, maar veel waarschijnlijker is dit bijtje gewoon de onafscheidelijke metgezel van de koeien van de Aubrac: een strontvlieg. Beslist minder wervend dan een bijtje, maar geen gek symbool voor een boeren mes.

Het succes dat het Laguiole mes beleefde werd ook bijna zijn ondergang. Tegen 1926 was de populariteit van het Laguiole mes zó groot geworden, dat de lokale messenmakers in Laguiole de vraag vanuit heel Frankrijk niet meer aankonden. Deze individuele messenmakers waren trouw aan hun ambacht en weigerden concessies te doen aan de kwaliteit. Ze hielden vast aan de traditionele arbeidsintensieve fabricage van hun messen; een eenvoudig zakmes vergt al meer dan 100 handelingen!

In de 190 km noordelijker gelegen stad Thiers had men geen moeite met de industriële productie van Laguiole messen, die niet door enig copyright werden beschermd. Een mes werd hier niet langer door één messenmaker vervaardigd, maar de productie werd opgedeeld in vele kleine handelingen. Dit kon door lager opgeleid en dus goedkoper personeel worden uitgevoerd. De messen werden aan de lopende band mechanisch gevormd, gedecoreerd en geassembleerd. Met deze veel goedkoper geproduceerde messen kon men in Laguiole niet concurreren en geleidelijk werd Laguiole door Thiers overvleugeld. De tweede wereldoorlog en de ontvolking van het platteland deden de rest. De exodus van jongeren naar Parijs maakte arbeidskrachten zeldzaam en tegen 1960 waren de messenmakers - op een enkele ambachtelijke producent na - uit Laguiole verdwenen.

In de jaren ’80 werden er pogingen ondernomen om de crisis en het defaitisme op het platteland te doorbreken. Met veel doorzettingsvermogen werd de productie van de Laguiole kaas weer opgepakt, (een kaas die doet denken aan de Cantal).  Dit streven om de oude waarden van de Aubrac in ere te herstellen gaf ook nieuw leven aan de messenmakerij of coutellerie. In 1981 werd een collectief handelsmerk “Le Couteau de Laguiole” opgericht in een poging  om het Laguiole mes te beschermen tegen de vele imitaties en producten van inferieure kwaliteit die onder andere uit Pakistan en China op de markt komen. En de messenmakers keerden terug in Laguiole! Begin jaren ’80 werd Laguiole en Aubrac opgericht, in 1987 gevolgd door Forge de Laguiole.

De Forge de Laguiole wil niet alleen maar traditionele Laguiole messen van vroeger reproduceren, men wilde de traditie ook levend houden. Om dit te bereiken zocht men samenwerking met - vaak Franse - ontwerpers. Traditie en moderniteit werden samengebracht.

Om deze visie te onderstrepen verzocht men Phillip Starck om de smidse te ontwerpen. Het markante gebouw in glas en aluminium volgt de horizontale lijnen van de hoogvlakte, terwijl de ingangspartij wordt gemarkeerd door een aluminium lemmet dat 18 meter hoog oprijst naar de hemel boven Laguiole.

Inmiddels heeft een lange rij ontwerpers zijn naam aan een mes verbonden. Zoals Jean-Michel Wilmotte, de architect, stedebouwkundig ontwerper en designer. Hij is misschien het best bekend van zijn werk met I.M. Pei aan het Louvre, waar hij de ruimtes onder Pei’s piramide inrichtte. Hij werkte ook mee aan de inrichting van de expositieruimtes van het Rijksmuseum in Amsterdam. Voor Forge de Laguiole ontwierp hij fascinerende messen in fluorescerend acryl.

Olivier Gagnère, één van Frankrijk’s belangrijkste ontwerpers, o.a. verantwoordelijk voor de inrichting van Cafe Marly bij het Louvre, schiep een set gestileerde dinermessen.

Designer en architect Eric Raffy benaderde het Laguiole mes vanuit een Japans esthetisch besef. Hij ontwierp overigens ook het beroemde drie sterren restaurant van Michel Bras, dat een stukje verderop in Laguiole op een heuveltop ligt. De messen waarmee deze verafgode chef-kok zijn tafels indekt (en die hij ook verkoopt) worden uiteraard ook door de Forge de Laguiole vervaardigd.

Bij een rondleiding door de Forge de Laguiole komt men eerst langs de ateliers van de twee beste messenmakers van Frankrijk: Virgilio Munoz en Stephane Rambaud. Zij maken uitsluitend kostbare verzamelstukken. Achter de ateliers van Munoz en Rambaud bevinden zich een serie werkplaatsen waar de messen stapsgewijs worden geproduceerd.

Het smeedproces is ingewikkeld en kostbaar. Het staal van het lemmet wordt verhit en onder 300 ton geperst, het merkteken wordt ingeslagen, het lemmet wordt uitgestanst en gewalst, het wordt tot 1060°C verhit en meteen daarna in de olie gekoeld om het staal te harden. Dan wordt het opnieuw verhit tot 200°C om te ontspannen en ten slotte wordt het lemmet voor een eerste keer geslepen.

De hardheid van het staal wordt bepaald door het koolstofgehalte. Maar bij een teveel aan koolstof wordt het staal te hard om te slijpen en ook breekbaar. Het ideale staal voor een mes heeft dan ook zowel hardheid als flexibiliteit.

In 2002 introduceerde de Forge de Laguiole een nieuwe staalsoort, het T12 staal.  Dit staal heeft een  geheime samenstelling en werd in samenwerking met staalleverancier Bonpertuis exclusief voor de Forge de Laguiole ontwikkeld. De nieuwe staalsoort is harder dan zijn voorganger 440A zonder daarbij aan flexibiliteit in te leveren. Het blijft langer scherp en is toch gemakkelijker na te slijpen.

Een Laguiole zakmes moet altijd zachtjes worden gesloten, want anders slaat de snijkant van het mes met een klap in het heft en wordt het mes bot. Volgens overlevering mocht alleen de vader des huizes zijn mes na de maaltijd laten dichtklappen om zijn familieleden aan te zetten de tafel af te ruimen.

In het productieproces werkt een messenmaker aan zoveel messen als hij in één dag kan produceren. Hij selecteert zelf het mooiste stuk hout of hoorn voor zijn mes. Voor het heft gebruikt men wel hoorn, been, (mammoet)ivoor, kostbare houtsoorten of acryl. Het materiaal voor het heft wordt als een blokje op de plaat gemonteerd.

In het heft is met stalen pennetjes het herderskruis ingeslagen. Deze versiering deed – ondanks de prachtige mythes die de ronde doen – pas zijn intrede na de tweede wereldoorlog.

De Forge de Laguiole bewijst dat de traditie leeft!

 

Marc Schreuder